dimanche 8 juillet 2018

Pas de miracles ! (Marc 6,1-6 ) Nederlands, Français, English

Hier spreken we Nederlands ! 

Nous parlons aussi français. Cette semaine, en plus du sermon, un préambule en français)


Well, this is English. 


Thanks to Elisabeth and Robert for considerable help !

Thank you for reading and supporting our Church

God bless you.


http://www.protestants-lecreusot-autun.fr/


Nederlands, sermon still to come


W95  Mark 6
1 Hij ging daar weg en kwam in zijn vaderstad, en zijn leerlingen volgden Hem.
2 Toen het sabbat was, begon Hij in de synagoge onderricht te geven. Veel toehoorders waren verbaasd en zeiden: `Waar heeft Hij dat vandaan, wat voor wijsheid is Hem gegeven, en dan die machtige daden die door zijn handen totstandkomen?
3 Dat is toch de timmerman, de zoon van Maria en de broer van Jakobus en Joses en Juda en Simon? Zijn zusters wonen toch hier bij ons?' En ze namen aanstoot aan Hem.
4 Jezus zei hun: `Een profeet wordt overal geëerd, behalve in zijn vaderstad, bij zijn familie en in zijn eigen huis.'
5 Hij kon daar helemaal geen machtige daden verrichten, behalve dat Hij enkele zieken de handen oplegde en hen genas.
6 En Hij was verbaasd over hun gebrek aan vertrouwen. Hij trok door de dorpen in de omgeving om onderricht te geven.

Preek 8 juli 2018, Marcus 6, 1 t/m 6:
Wat aan deze tekst voorafgaat, daar leek alles zo gemakkelijk. Wonderen gebeurden, met of zonder de instemming van Jezus. Maar nu Jezus in zijn woonplaats is, is het onmogelijk geworden. Jezus kon het, en nu kan hij het niet meer. Hij is zwak geworden onder zwakke mensen. Hij geeft les en een beetje verlichting aan zieke mensen door ze de handen op te leggen. Geen wonder. Ieder van ons zou hetzelfde doen, en zou het met succes doen ...

Ik denk dat we ons allemaal afvragen waarom Jezus plotseling zo verzwakt is. Het vierde vers dat we lazen, lijkt ons een verklaring te geven: een profeet wordt altijd onderschat in zijn geboorteplaats en bij zijn familie. Daarom ... Maar deze verklaring is niet bevredigend.
Ze is niet bevredigend omdat Jezus meer is dan een profeet. Hij is meer dan een profeet, want hij is de Zoon van God. Hij moet dus almachtig zijn, zijn macht komt van zijn Vader en van Hem alleen.
De verklaringis niet bevredigend omdat wonderen gebeuren door macht van iemand, niet door de eerbied die men voor hem heeft. En als we het hebben over zijn familie, daarover heeft Jezus al gezegd: "Want ieder die doet wat God van hem wil, is mijn broer en mijn zuster en mijn moeder" (Marcus 3:35). Hij moet dus machtig zijn, onafhankelijk van zijn familie. In dat geval blijven we heel verbaasd, net als de aanwezigen, en net als Jezus zelf. Wat moeten we nu? Laten we ons verdiepen in de tekst en deze samen overdenken.

Laten we ons eerst richten op het feit dat God in deze verzen niet almachtig lijkt te zijn. De macht van God lijkt op een dood punt te zitten ​​... geen wonderen. En de reden hiervoor is dat zij Jezus als een van hen kenden. Ik zei eerder al dat deze reden onbevredigend is. Maar op een bepaalde manier - vanuit theologisch oogpunt - is het wel bevredigend. Er is een diepe en sterke scheiding tussen de wonderen van Jezus en zijn genealogie, zijn familiebanden. Jezus leeft in een land met een stammencultuur. Hij behoort tot zijn stam (familie en verwanten). Van hem wordt dan ook verwacht dat hij in zijn geboorteplaats blijft, hij hoort niet te reizen, hij hoort niet weg te gaan. Zo is hij in zijn eigen stadminder de Zoon van God, omdat hij mens is geworden. De Zoon van God is een menselijk persoon ... en daardoor, is hij niet almachtig; hij is niet in staat om zijn menselijke wortels de baas te worden. Hoe meer hij mens wordt, hoe minder hij almachtig is. Christus, God is zo sterk verbonden met de mensheid dat hij zijn macht verliest. We weten allemaal dat de almachtige God eens en voor altijd gestorven is aan het kruis; en we proberen allemaal geloof te hebben in Jezus, de Opgestane Heer,hoewel God voor altijd zwak blijft.
Als de macht van God weg is, waar komen wonderen dan vandaan (als ze nog steeds gebeuren)? Laten we ons nu richten op dezevraag. Gelukkig zijn er nog meer wonderen in het evangelie van Marcus. Terwijl Jezus zijn reis voortzet, hervindt hij zijn macht: hij geneest, hij voedt de menigten, hij loopt over het water... Maar hier bij ons, zijn de wonderen weg en dat is iets waar we over moeten nadenken: Waar komen wonderen vandaan als de macht van God weg is? Mensen die wanhopig op zoek zijn naar iets voor zichzelf, zijn gewoon te zwak... alleen de mensen om hen heen, blijven. Dus, zonder de wil, of zonder het geloof van de mensen om hen heen, gebeuren er nooit wonderen. Het is een raar resultaat - heel vreemd. Maar met dit resultaat kunnen we iets zeggen over het geloof van de aanwezigen: geloof is geen kennis, maar onwetendheid en vertrouwen.Degenendaarentegen die van tevoren weten wat anderen zouden moeten zijn of zouden moeten doen, vertrouwen noch anderen,noch God, en zij zullen dan ook nooit zien wat pal onder hun ogen gebeurt. Maareen omstander, of een gemeenschap die vertrouwenheeft in zowel zichzelf als in God, zal onverwachte dingen zien gebeuren, dingen die men wonderen noemt. Maar we zullen nooit tegen een gemeenschap zeggen dat de afwezigheid van wonderen voortkomt uit een gebrek aan vertrouwen, omdat zelfs als God voor altijd zwak blijft, Hij toch altijd God blijft.

Laten we nu onze zwakke redder en zijn zwakke God even voor wat ze zijn. Laten we eens om ons heen kijken en ons afvragen: "Jij, mijn buurman, wie ben jij? Ik ken je niet. Moge jou door onze God het beste gegeven worden. Moge zijn wil geschieden. Amen."


Préambule
Nous avons tous récité de nombreuses fois « Je crois en Dieu, le père Tout Puissant, créateur du ciel et de la terre. »  C’est le début de l’une de nos très anciennes confessions de foi, le Symbole des Apôtres. Elle affirme, d’emblée, que Dieu est tout puissant.
Et tout de suite, le lecteur se trouble et interroge. La toute puissance est-elle un attribut de Dieu, Dieu serait alors en permanence tout puissant, ou bien, Dieu est-il seulement le Père Tout Puissant en tant qu’il est créateur, au commencement, du ciel et de la terre ? Si tel est le cas, que fait-il, après avoir créé le ciel et la terre ? Suspend-il, voire perd-il sa toute puissance, par exemple dès après le sixième jour de la création, la place essentielle revenant dès lors à sa créature, l’être humain ? C’est une possibilité. L’autre possibilité, dire que la toute puissance de Dieu est l’un de ses attributs permanents, laisse l’être humain face à la question de la non intervention de Dieu dans l’histoire : si Dieu est tout puissant, pourquoi le mal ? Est-ce que Dieu est impassible, c'est-à-dire n’éprouve pas de passion ? Est-il au contraire atteint par le mal, au point qu’il intervienne, par exemple à Babel, ou encore comme il le fait pour son peuple dans le livre de l’Exode.
Toute réflexion sur les attributs de Dieu converge vers la question du mal, du mal qui toujours vient défier la philosophie et la théologie. La tentation est forte d’affirmer que le mal est la conséquence de la chute, désobéissance humaine, non respect du commandement divin. Mais devant une femme qui tient dans ses bras son nouveau-né mort, ou son enfant leucémique, ça ne tient pas. Qui donc a péché pour que cela arrive ?
L’évangile de Marc pose la question du mal d’une manière très particulière. Il donne en son premier verset tout le programme de son récit : commencement de l’évangile de Jésus Christ Fils de Dieu. Et dans sa finale la plus ancienne, le récit se finit sur le silence et la fuite des femmes apeurées après la déclaration de l’ange. Les femmes ne dirent rien à personne (Marc 16,8)… et toi, lecteur, que vas-tu dire, et que vas-tu faire ? Car, avec ce texte, comme le dit le titre (Marc 1,1), tu n’as, nous n’avons, que le commencement de l’Evangile de Jésus Christ Fils de Dieu. Au lecteur d’en écrire et d’en raconter, d’en inventer, découvrir et mettre en œuvre, la suite. En ce sens, tout le récit est orienté dans une seule direction : Jésus incompris, esseulé, abandonné, et finalement qui meurt sur un dernier cri, « Mon Dieu, mon Dieu, pourquoi m’as-tu abandonné ? » Et lorsque l’ange vient annoncer aux femmes que cette histoire doit avoir une suite, les femmes ne donnent pas de suite à l’histoire.
Ainsi, l’affaire de l’échec de la prédication de Jésus à Nazareth est-elle le premier épisode où l’évangile de Marc met en œuvre ce qu’on peut appeler sa tactique : il n’y a de bonne nouvelle, d’évangile, de rédemption et de salut que parce que des humains donnent volontairement une suite concrète au dernier verset de l’évangile ; mais cette suite ne peut être évangile qu’ironiquement, afin que nul ne puisse s’en prévaloir et que la gloire en revienne à Dieu seul.
Mais Dieu est-il alors tout puissant ? Il ne l’est que par la disposition d’êtres humains qui énoncent, ou chantent « Non point à nous Seigneur, non point à nous la gloire. Gloire au nom trois fois saint qu’on implore à genoux. »

Cette introduction est presque plus longue que le sermon qu’elle précède. Trace avouée de l’embarras du prédicateur. Devant ce texte si simple, si l'on se refuse à faire porter aux habitants de Nazareth le poids de l'impuissance de Jésus, comment ne pas être embarrassé ?

Marc 6
1  Jésus partit de là. Il vient dans sa patrie et ses disciples le suivent.
 2 Le jour du sabbat, il se mit à enseigner dans la synagogue. Frappés d'étonnement, de nombreux auditeurs disaient: «D'où cela lui vient-il? Et quelle est cette sagesse qui lui a été donnée, si bien que même des miracles se font par ses mains?
 3 N'est-ce pas le charpentier, le fils de Marie et le frère de Jacques, de Josès, de Jude et de Simon? et ses sœurs ne sont-elles pas ici, chez nous?» Et ils en prenaient ombrage.
 4 Jésus leur disait : «Un prophète n'est sous-estimé que dans sa patrie, parmi ses parents et dans sa maison.»
 5 Et il ne pouvait faire là aucun miracle; il soulagea juste quelques personnes en état de faiblesse en leur imposant les mains.
 6 Et il était stupéfait de ce qu'ils ne croyaient pas. Il parcourut les villages des environs en enseignant.

Sermon
Episode précédent : tout semblait si facile. Les miracles arrivaient, avec ou sans le consentement de Jésus, une femme qui n’avait fait qu’effleurer Jésus était aussitôt guérie, et une jeune fille si profondément endormie qu’on la croyait morte se relève, et mange...
Mais maintenant que Jésus est dans sa ville natale, c’est devenu impossible. Jésus pouvait le faire, et maintenant il ne peut plus. Il est devenu un être faible parmi les êtres faibles. Il donne un enseignement et un peu de soulagement à de faibles personnes, en leur imposant les mains. Pas un miracle. Et chacun d’entre nous saurait en faire autant.

Mais, pour l’heure, je pense que chacun d’entre nous se de demande pourquoi Jésus est soudainement si diminué. Le 4ème verset que nous avons lu semble nous donner une explication : un prophète est toujours sous-estimé dans sa ville d’origine et parmi ses collatéraux. Pourquoi pas… Mais cette explication ne satisfait pas.
Elle ne satisfait pas parce que Jésus est plus qu’un prophète. En étant plus qu’un prophète, en étant Fils de Dieu, il devrait être tout puissant, sa puissance dépendant de son Père, et de Lui seul.  
Elle ne satisfait pas parce que les miracles arrivent à cause de la puissance de quelqu’un, non pas de l’estime qu’on a pour lui. Et qu’en parlant de ses collatéraux, Jésus a déjà dit : « Celui qui fait la volonté de Dieu est mon frère, et ma sœur, et ma mère » (Marc 3,35). Il s’est détaché de sa parenté, et il devrait donc être puissant indépendamment de sa famille et des habitants de sa ville natale.
Alors nous restons très étonnés, tout comme l’assistance, et tout comme Jésus lui-même. Le Tout Puissant est devenu impuissant… Qu’allons-nous faire maintenant ? Tâchons de penser profondément, et de méditer.

Nous nous concentrons d’abord sur le fait que, dans ces versets, Dieu semble ne pas être tout-puissant. La puissance de Dieu est au point mort… pas de miracles. Et la raison de cela est que « ils connaissaient Jésus comme l’un des leurs. » J’ai dit tout à l’heure que cette raison est insatisfaisante. Mais d’une certaine manière – pour la théologie – elle est intéressante. Il y a une profonde et forte déconnexion entre les miracles de Jésus et sa généalogie, nous l’avons déjà dit. Mais Jésus est un homme. Et Jésus vit dans un pays de culture clanique. Il appartient à son clan (famille et collatéraux). Il est donc censé rester à sa place, celle de sa naissance, il ne doit pas bouger, il ne doit pas partir. Ainsi, dans sa propre ville, il est moins que le Fils de Dieu, juste parce qu’il est une personne humaine. Ou plutôt il est Fils de Dieu et il est une personne humaine. Le Fils de Dieu est une personne humaine… et, en étant cela, il n’est pas tout-puissant, il n’est pas capable de vaincre ses racines humaines. Plus il devient humain, moins il est tout-puissant. En Christ, Dieu est si parfaitement humain qu’il en perd tout pouvoir.
C’est ainsi, un peu plus loin dans l’évangile, que Dieu le tout-puissant meurt une fois pour toutes sur la croix ; et nous essayons tous d’avoir foi en Jésus le ressuscité, bien que Dieu reste en lui faible pour toujours.

La puissance de Dieu étant perdue, d’où les miracles viennent-ils ? Nous nous concentrons maintenant sur cette question. Heureusement, après le fiasco dans sa ville natale, Jésus  va accomplir quelques autres miracles dans l’évangile de Marc. A mesure qu’il poursuit son voyage, Jésus retrouve de sa puissance : il guérit, il nourrit des foules, il marche sur les eaux… Il retrouve de la puissance comme si l’auteur de l’évangile de Marc n’avait pas pu assumer dès le début du récit la grande faiblesse de Jésus.
Là où nous en sommes maintenant, c’est perdu et il y a là quelque chose que nous devons méditer : d’où les miracles viennent-ils lorsque la puissance de Dieu est perdue ? Les gens qui cherchent désespérément quelque chose pour eux-mêmes sont juste trop faibles… comme source de puissance, il ne reste que l’assistance. Si bien que, sans la volonté, ou sans la foi de l’assistance, les miracles ne se produisent jamais ; cela ne signifie pas qu’avec la foi de l’assistance il arrive forcément des miracles ; mais la foi de l’assistance est une condition nécessaire. C’est un résultat étrange – très étrange. Mais avec ce résultat justement, nous pouvons dire quelques mots de la foi de l’assistance : la foi n’est pas un savoir, mais elle est ignorance et confiance. A l’inverse, ceux qui savent par avance ce que les autres devraient être ou devraient faire ne font confiance ni aux autres, ni à Dieu, et ils ne verront jamais quoi que ce soit d’étonnant s’accomplir sous leurs yeux.
Ceci étant dit, nous ne dirons jamais à une communauté que l’absence de miracles vient d’un défaut de confiance. De cette confiance, nous ne savons rien. Et puis, même si Dieu reste faible pour toujours, il demeure toujours Dieu. Et nous ne pouvons disposer de Lui, qu’il soit fort, ou qu’il soit faible.

Maintenant, nous allons laisser notre faible sauveur et son faible Dieu. Nous allons regarder autour de nous, en nous posant une question : « Toi, mon voisin, qui es-tu ? Je ne te connais pas. Puisse le meilleur t’être donné par notre Dieu. Et que sa volonté s’accomplisse. Amen. »


Mark 6
1 Jesus left there and went to his hometown, accompanied by his disciples.
 2 When the Sabbath came, he began to teach in the synagogue, and many who heard him were amazed. "Where did this man get these things?" they asked. "What's this wisdom that has been given him, that he even does miracles!
 3 Isn't this the carpenter? Isn't this Mary's son and the brother of James, Joseph, Judas and Simon? Aren't his sisters here with us?" And they took offense at him.
 4 Jesus said to them, "Only in his hometown, among his relatives and in his own house is a prophet without honor."
 5 He could not do any miracles there, except lay his hands on a few sick people and relief their pain.
 6 And he was amazed at their lack of faith. Then Jesus went around teaching from village to village.

Sermon
            Previous episode : everything seemed to be so easy. Miracles were happening, with or without Jesus’ consent. But now, Jesus being in his hometown, ‘that’ has become impossible. Jesus could do ‘it’, and now he can not. He has become weak among the weaks. Just giving a speech and some relief of weakness by laying hands on some. Not a miracle.
Each of us wouldn’t do less, and would do it successfully…

            And I think that each of us is wondering why is Jesus suddenly so diminished. The 4th verse seems to give the answer: a prophet is always “without honor” in his hometown and among his relatives. Well… why not? But this explanation is unsatisfactory.
Unsatisfactory because Jesus is more than a prophet. Being more than a prophet, being son of God, he should be almighty, his power depending on his father – on himself – alone.
Unsatisfactory because miracles come from power, not from honor. And considering his relatives, Jesus already said “Whoever does God's will is my brother and sister and mother” (Mar 3:35 NIV).
And thus we are remaining amazed, such as the audience, and such as Jesus himself: no miracles. So what are we going to do now? Let us think deeply, and meditate.

We’re focusing first on the fact that in these verses, God appears not to be almighty. The power of God seems to be off. And the reason of this is that “they know Jesus as one of them”. I considered earlier that reason as unsatisfactory. But there is a way – theologically – it is satisfactory. There is a deep and strong disconnection between miracles and genealogy. Jesus is living in a clannish culture country. He belongs to his clan (family and relatives). His supposed to stand there at his own native place; not supposed to move, or to leave… And he is, in his hometown, less than the son of God, just because he is a human person. The son of God is a human person… and, being so, belonging to his clan, he is not almighty, he seems to unable to overcome his human background. The more he becomes human, the less he is almighty. That means that finally, in Christ, God is so powerfully linked to humanity that he loses all his power… We all know that God the almighty once forever died on the cross; we are all trying to give faith on resuscitate Jesus, God remaining forever weak.
God’s power lost, where do miracles come from (if they still come)? That’s our second focus. Fortunately, there will a few more miracles in Mark’s Gospel. As long as his journey carries on, Jesus recovers in several ways his power: healing, feeding crowds, walking on waters... But where we are now it’s all lost and there is something to meditate: where do miracles come from if God’s power is lost? People desperately seeking something for themselves are just too weak… only the audience remains. Then, without the will, or without the faith of the audience, miracles never happen. It is a strange – very strange – result. But with it we can say a few words on an audience’s faith: faith is not knowledge but ignorance and trust. Those who know what people should be do not trust neither people nor God. But an audience, or a community trusting herself and God will see some unexpected things commonly named miracles happening. However we will never say to a community that the absence of miracles comes from a lack of faith. And this for the reason that even if God remains forever weak, God remains forever God.

So we are going to leave our weak savior and his weak God. We are going to look around us asking silently just a question : “You, my neighbor, who are you? I don’t know you. May the very best be given to you by our God. May his will be done. Amen”

dimanche 1 juillet 2018

Miracles ! (Marc 5,21-43) Nederlands, Français, English

Hier spreken we Nederlands ! 

Nous parlons aussi français


Well, this is English. 


Thanks to Elisabeth and Robert for considerable help !

Thank you for reading and supporting our Church

God bless you.


http://www.protestants-lecreusot-autun.fr/


Mark 5
 21 En toen Jezus weder overgevaren was met het schip, vergaderde er veel volk bij hem; en hij was aan de zee.
 22 En zie, toen kwam er een van de oversten der synagoge, genaamd Jaïrus; en toen die hem zag, viel hij hem te voet,
 23 en bad hem zeer, zeggende: Mijne dochter ligt op haar uiterste; wil toch komen en uwe hand op haar leggen, opdat zij gezond worde en leve.
 24 En hij ging met hem heen; en veel volk volgde hem, en zij verdrongen hem.
 25 En er was ene vrouw, die reeds twaalf jaren bloedvloeiing gehad had,
 26 en veel geleden had van vele geneesmeesters, en al haar goed daaraan ten koste gelegd, en geen baat gevonden had, maar het werd veeleer erger met haar.
 27 Toen die van Jezus hoorde, kwam zij onder het volk van achteren, en raakte zijn kleed aan;
 28 want zij zeide: Als ik slechts zijn kleed mocht aanraken, zou ik genezen.
 29 En terstond verdroogde de bron haars bloeds, en zij gevoelde aan haar lichaam, dat zij van hare kwaal genezen was.
 30 En Jezus gevoelde terstond aan zichzelven, dat er kracht van hem was uitgegaan, en keerde zich om tot het volk, en zeide: Wie heeft mijne klederen aangeraakt?
 31 En de jongeren zeiden tot hem: Gij ziet, dat het volk u dringt, en gij zegt: Wie heeft mij aangeraakt?
 32 En hij zag om naar degene, die dat gedaan had.
 33 De vrouw nu vreesde en beefde, --want zij wist wat aan haar geschied was--en kwam en viel voor hem neder, en zeide hem de gehele waarheid.
 34 En hij zeide tot haar: Mijne dochter, uw geloof heeft u gezond gemaakt; ga heen in vrede, en wees hersteld van uwe kwaal.
 35 Terwijl hij nog sprak, kwamen sommigen van het huisgezin van den overste der synagoge, en zeiden: Uwe dochter is gestorven, wat moeit gij verder den Meester?
 36 En Jezus hoorde terstond het woord, dat er gezegd werd, en zeide tot den overste der synagoge: Vrees niet, geloof slechts.
 37 En hij liet niemand toe hem te volgen dan Petrus, Jakobus en Johannes, den broeder van Jakobus.
 38 En hij kwam in het huis van den overste der synagoge en zag het gewoel en degenen, die zeer weenden en jammerden;
 39 en ingegaan zijnde zeide hij tot hen: Wat tiert en weent gij? Het meisje is niet gestorven, maar slaapt.
 40 Doch zij belachten hem. Maar hij dreef hen allen uit, en nam met zich den vader des kinds en de moeder, en die bij hem waren, en ging binnen, waar het kind lag.
 41 En hij vatte het meisje bij de hand, en zeide tot haar: Talítha kumi! dat is vertaald: Meisje, ik zeg u, sta op!
 42 En dadelijk stond het meisje op en wandelde; want zij was reeds twaalf jaren oud. En zij ontzetten zich bovenmate.
 43 En hij verbood hun nadrukkelijk, dat niemand het weten zou, en zeide, dat men haar zou te eten geven.
 (Mar 5:21-43 LUV) 


Preek 1 juli 2018 :
Heeftu ooit een wonder gezien? Na het lezen van deze verzen van Marcus roept dit onderwerp herinneringen bij mij op aan enkele van de meest luidruchtige gebedsbijeenkomsten die ik heb bijgewoond. Het was lang geleden; meer dan 40 jaar. Luidruchtig was het. En ik weet niet zeker of er wonderen zijn gebeurd. Nou ja, ik verwachtte niets voor mezelf. Sommige mensen verwachtten iets voor zichzelf en sommige mensen vroegen de voorganger en de andere aanwezigen voor hun genezing te bidden. De voorganger bad dus; hij was en is nog steeds een luidruchtig persoon. En natuurlijk bad ik samen met de andere aanwezigen. Ik weet niet of onze gebeden die avond werden verhoord. Ik had twijfels, ik geloofde niet echt. Maar ik bad met honderden andere mensen dat er wonderen zouden gebeuren. En een uur later zeiden sommige mensen dat ze van dit of dat waren genezen, vooral van tabaksverslavingen, of, zoals het werd genoemd, verslavingen aan medicijnen. Het was onmogelijk om het te verifiëren. En toen loofde de menigte luid de Heer. Ik voelde me persoonlijk in de war gebrachtmet heel deze voorstelling. Ik dacht - en ik denk nog steeds - dat het rustiger, vrediger had kunnen zijn, op een minder overweldigende manier. Maar goed ... het is gebeurd en ik kan er niet aan ontkomen om erover na te denken. Wonderen? Ik weet het niet. God weet het alleen.

En natuurlijk was er een soort show toen Jezus het meisje genas. En deze show was er omdat het meisje de dochter was van een belangrijk persoon. Het probleem met ziektes van belangrijke mensen is dat het altijd zeer ernstige ziektes zijn. Er zijn altijd kranten om ze openbaar te maken en honderden mensen voelen zich erbij betrokken. En als deze mensen gelovig zijn, zijn er honderden mensen die God bidden om genezing, terwijl niemand weet dat ondertussen een onbekend persoon langzaam sterft aan zijn eigen,onbekende ziekte.
Maar in de tekst van Marcus wordt de onbekende persoon eerst genezen. Genezen op een min of meeranonieme manier. Deze anonieme vrouw staat plotseling in de schijnwerpers, niet om aan te geven dat ook anonieme personen dat verdienen, maar om de nadruk te leggen op de anonimiteit. Het is een principe van intimiteit dat hier wordt omschreven, dat voor ons veel betekenisvoller is dan het wonder zelf. De genezing van de bloedende vrouw gebeurt in de meest absolute beslotenheid ... zelfs Jezus weet niet wat er aan de hand is, en wanneer hij iets opmerkt, is het al gebeurd, de vrouw is al genezen. En tot het voorbij is, weet de menigte ook niets.
Ik zou graag willen dat de vrouw volledig anoniem was gebleven, dat ze Jezus niet eens onder ogen was gekomen, dat ze zelfs geen enkel woord uit zichzelf had gezegd. Zodat een wonder volledig onbekend zou blijven om als een wonder erkend te worden!

Laten we ons nu realiseren dat wanneer Jezus naar het meisje gaat, hij de aanwezigheid van de menigte om hem heen niet lijkt te waarderen. En we moeten ons ook realiseren dat dit tweede wonder geen wonder is. Ze is niet dood, ze slaapt, zegt Jezus, en hij stuurt ze allemaal naar buiten voordat hij het meisje wakker schudt.
Bij het eerste wonder was de aanwezigheid van de menigte niet nodig; en nu, alleen om het meisje wakker te maken, wat helemaal geen wonder is, is de menigte ook niet nodig.
En nu wij hier. Wat moeten wij nu met of zonder wonderen? Ik zeg zonder wonderen, want ik ben er heel zeker van dat terwijl deze dingen met Jezus gebeurden, andere mensen stierven, min of meer alleen, anoniem, omdat ze niet de kans hadden gehad om Jezus in levenden lijve te ontmoeten. Of niet de kans hadden om de luidruchtige man te ontmoeten die ik eerder noemde. Wat kan ik nog meer zeggen?
Wonderen zijn de meest lastige verzen van onze Bijbel. Ze vragen meer van ons dan alle andere verzen. Ze vragen al ons geloof als ze gebeuren, en meer dan al ons geloof als ze niet gebeuren. Wat kunnen we doen? Vragen, hopen dat ze gebeuren? Waarom niet? God prijzen voor alles wat er gebeurt? Ja, zoveel als we kunnen, maar soms is het totaal onmogelijk.

Ik wou dat ik kon besluiten met een belofte. Maar dat kan ik niet. Ik geloof echt in wonderen. Maar ik kan niet bidden dat Hijze laat gebeuren. Hij is de Heer; hij heeft geen heer. Ik kan alleen maar bidden "Uw wil geschiede ..." en de uitgestrekte handen van anderen vasthouden. Amen


Marc 5
21 Quand Jésus eut regagné en barque l'autre rive, une grande foule s'assembla près de lui. Il était au bord de la mer.
 22 Arrive l'un des chefs de la synagogue, nommé Jaïros: voyant Jésus, il tombe à ses pieds
 23 et le supplie avec insistance en disant: «Ma petite fille est près de mourir; viens lui imposer les mains pour qu'elle soit sauvée et qu'elle vive.»
 24 Jésus s'en alla avec lui; une foule nombreuse le suivait et l'écrasait.
 25 Une femme, qui souffrait d'hémorragies depuis douze ans
 26 - elle avait beaucoup souffert du fait de nombreux médecins et avait dépensé tout ce qu'elle possédait sans aucune amélioration; au contraire, son état avait plutôt empiré - ,
 27 cette femme, donc, avait appris ce qu'on disait de Jésus. Elle vint par-derrière dans la foule et toucha son vêtement.
 28 Elle se disait: «Si j'arrive à toucher au moins ses vêtements, je serai sauvée.»
 29 À l'instant, sa perte de sang s'arrêta et elle ressentit en son corps qu'elle était guérie de son mal.
 30 Aussitôt Jésus s'aperçut qu'une force était sortie de lui. Il se retourna au milieu de la foule et il disait: «Qui a touché mes vêtements?»
 31 Ses disciples lui disaient: «Tu vois la foule qui te presse et tu demandes: ‹Qui m'a touché?› »
 32 Mais il regardait autour de lui pour voir celle qui avait fait cela.
 33 Alors la femme, craintive et tremblante, sachant ce qui lui était arrivé, vint se jeter à ses pieds et lui dit toute la vérité.
 34 Mais il lui dit: «Ma fille, ta foi t'a sauvée; va en paix et sois guérie de ton mal.»
 35 Il parlait encore quand arrivent, de chez le chef de la synagogue, des gens qui disent: «Ta fille est morte; pourquoi ennuyer encore le Maître?»
 36 Mais, sans tenir compte de ces paroles, Jésus dit au chef de la synagogue: «Sois sans crainte, crois seulement.»
 37 Et il ne laissa personne l'accompagner, sauf Pierre, Jacques et Jean, le frère de Jacques.
 38 Ils arrivent à la maison du chef de la synagogue. Jésus voit de l'agitation, des gens qui pleurent et poussent de grands cris.
 39 Il entre et leur dit: «Pourquoi cette agitation et ces pleurs? L'enfant n'est pas morte, elle dort.»
 40 Et ils se moquaient de lui. Mais il met tout le monde dehors et prend avec lui le père et la mère de l'enfant et ceux qui l'avaient accompagné. Il entre là où se trouvait l'enfant,
 41 il prend la main de l'enfant et lui dit: «Talitha qoum», ce qui veut dire: «Fillette, je te le dis, réveille-toi!»
 42 Aussitôt la fillette se leva et se mit à marcher, - car elle avait douze ans. Sur le coup, ils furent tout bouleversés.
 43 Et Jésus leur fit de vives recommandations pour que personne ne le sache, et il leur dit de donner à manger à la fillette.

Prédication :
Avez-vous un jour été témoin d’un miracle ? Ce thème, après avoir lu ces versets de Marc, me rappelle certaines des plus bruyantes réunions de prière auxquelles j’ai assisté. Il y a très longtemps ; plus de 40 années. Bruyant cela était. Et je ne suis pas certain que des miracles aient eu lieu. Bon, je n’attendais rien pour moi-même. Certaines personnes attendaient quelque chose pour elles-mêmes, et certaines personnes demandèrent la prière du leader et celle de l’assemblée pour leur guérison. Le leader pria donc ; il était, et il est toujours, une personne bruyante. Et moi, bien sûr, j’ai prié avec l’assemblée. Je ne sais pas si nos prières ont été exaucées ce soir-là. J’avais des doutes, je ne croyais pas vraiment. Mais j’ai prié avec des centaines d’autres personnes pour que des miracles aient lieu. Et une heure plus tard, certaines personnes ont déclaré avoir été guéries de ceci ou cela, surtout des addictions au tabac, ou, comme quelques-uns le dirent, addictions aux médicaments. Impossible de vérifier. Et alors la foule a bruyamment loué le Seigneur. Je me sentais personnellement troublé par tout ce show. Je pensais – et je pense encore – que cela aurait pu se faire plus paisiblement, d’une manière moins envahissante. Et bon… cela est arrivé et je ne peux pas m’empêcher d’y penser. Des miracles ? Je ne sais pas. Dieu seul le sait.

Et bien sûr il y a eu une sorte de show lorsque Jésus a guéri la jeune fille. Il y a eu ce show parce que la jeune fille était la fille d’une personne importante. Le problème avec les maladies des personnes importantes, c’est que ce sont toujours de maladies très  importantes. Il y a toujours des journaux pour les rendre publiques, et des centaines de personnes pour se sentir investies. Et si ces personnes sont des religieux connus, il y a des centaines de personnes pour prier Dieu de guérir ces gens connus, pendant que personne ne sait qu’un anonyme est en train de mourir à petit feu de sa propre et anonyme maladie, et personne ne prie pour cet anonyme.
Or, dans le texte que nous méditons, l’anonyme est guérie en premier. Guérie d’une certaine manière anonymement. Cette femme anonyme est soudain sous les feux de la rampe, non pour suggérer que même les anonymes le méritent, mais pour insister sur l’anonymat. C’est un principe d’intimité qui est suggéré ici, qui est pour nous bien plus porteur de sens que le miracle lui-même. La guérison de la femme qui saignait se passe dans l’intimité la plus absolue… même Jésus ne sait pas ce qui se trame, et lorsqu’il remarque quelque chose, c’est déjà fait, la femme est déjà guérie. Et jusqu’à la fin, la foule ne sait rien non plus.
J’aurais bien aimé que la femme soit restée totalement anonyme, qu’elle n’ait même pas fait face à Jésus, qu’elle n’ait même pas dit un seul mot d’elle-même. Comme si un miracle devait rester totalement inconnu pour être reconnu comme un miracle !

Pensons maintenant que lorsque Jésus vient auprès de la jeune fille, il ne semble pas apprécier la présence de la foule autour de lui. Pensons aussi que ce second miracle n’est pas un miracle. Elle n’est pas morte, elle dort, dit Jésus, et il les met tous dehors avant de simplement réveiller la jeune fille.
En présence du premier miracle, la foule n’était pas nécessaire ; et maintenant, juste pour réveiller la jeune fille, en l’absence de tout miracle, la foule n’est pas non plus nécessaire.

Et nous voici. Demandons-nous ce qui se passe avec ou sans ces miracles ? Je dis sans miracles parce que je suis très certain que pendant que ces choses arrivaient avec Jésus, d’autres personne sont mortes, plus ou moins seules, anonymement, comme si elles n’avaient pas eu la chance de rencontrer cette personne vivante appelée Jésus. Ou pas eu la chance de rencontrer le bruyant homme dont j’ai parlé tout à l’heure. Que pourrais-je dire de plus ?
Les miracles sont les versets les plus embarrassants de nos Bible. Ils nous réclament, plus que tous les autres versets. Ils réclament toute notre foi lorsqu’ils arrivent, et plus que toute notre foi lorsqu’ils n’arrivent pas. Qu’y pouvons-nous ? Intercéder pour qu’ils arrivent ? Pourquoi pas. Louer Dieu pour tout ce qui arrive ? Oui, autant que nous le pouvons, mais c’est parfois totalement impossible.

Je voudrais pouvoir conclure avec une promesse. Mais je ne peux pas. Je crois vraiment aux miracles. Mais je ne peux pas prier pour qu’Il les fasse se produire. Il est le Seigneur ; il n’a pas de seigneur. Je ne peux que prier « Que ta volonté soit faite », et tenir les mains qui se tendent. Amen


Mark 5
21 When Jesus had crossed again in the boat to the other side, a great crowd gathered around him; and he was by the sea.
 22 Then one of the leaders of the synagogue named Jairus came and, when he saw him, fell at his feet
 23 and begged him repeatedly, "My little daughter is at the point of death. Come and lay your hands on her, so that she may be made well, and live."
 24 So he went with him. And a large crowd followed him and pressed in on him.
 25 Now there was a woman who had been suffering from hemorrhages for twelve years.
26 She had endured much under many physicians, and had spent all that she had; and she was no better, but rather grew worse.
 27 She had heard about Jesus, and came up behind him in the crowd and touched his cloak,
 28 for she said, "If I but touch his clothes, I will be made well."
 29 Immediately her hemorrhage stopped; and she felt in her body that she was healed of her disease.
 30 Immediately aware that power had gone forth from him, Jesus turned about in the crowd and said, "Who touched my clothes?"
 31 And his disciples said to him, "You see the crowd pressing in on you; how can you say, 'Who touched me?'"
 32 He looked all around to see who had done it.
 33 But the woman, knowing what had happened to her, came in fear and trembling, fell down before him, and told him the whole truth.
 34 He said to her, "Daughter, your faith has made you well; go in peace, and be healed of your disease."
 35 While he was still speaking, some people came from the leader's house to say, "Your daughter is dead. Why trouble the teacher any further?"
 36 But overhearing what they said, Jesus said to the leader of the synagogue, "Do not fear, only believe."
 37 He allowed no one to follow him except Peter, James, and John, the brother of James.
 38 When they came to the house of the leader of the synagogue, he saw a commotion, people weeping and wailing loudly.
 39 When he had entered, he said to them, "Why do you make a commotion and weep? The child is not dead but sleeping."
 40 And they laughed at him. Then he put them all outside, and took the child's father and mother and those who were with him, and went in where the child was.
 41 He took her by the hand and said to her, "Talitha cum," which means, "Little girl, get up!"
 42 And immediately the girl got up and began to walk about (she was twelve years of age). At this they were overcome with amazement.
 43 He strictly ordered them that no one should know this, and told them to give her something to eat.

Preaching:
Have you ever witnessed a miracle? This issue, after reading those verses of Mark, reminds me some of the noisiest prayer meetings I ever attend. It’s been such a long time now, more than 40 years. Noisy it really was. And I’m not sure that miracles occurred… well, I wasn’t expecting anything for myself. But some people were, and some asked for the leader’s and the assembly’s prayer for their “healing”. The leader prayed. He was and still he is a noisy person. Of course I prayed with the assembly. I don’t know if our prayers were granted that evening. I had doubts, didn’t really believe. But I prayed with hundred other people for miracles to happen. And an hour later, some people told they had been healed from this or that, essentially tobacco addictions, or as some said medicine addictions. Impossible to check. And then the crowd noisily praised the Lord. I personally felt disturbed with all that show. I thought – and still think – that it could have been quieter, less invasive. Anyway, it happened, and I can’t help thinking about it. Miracles? I don’t know. God only knows.

Indeed there was some kind of a show when Jesus healed the young girl. There was that show because the young girl was an important person’s daughter. The issue, with VIP diseases is that they are always very serious diseases. And regarding those diseases there are always newspapers to make them public, and hundred people being themselves concerned. If those VIP are in religion, there are hundred people interceding with God for their healing, while nobody even knows that an anonymous person is slowly dying with his or her own anonymous diseases.  
But here in the text, the anonymous is healed first!  And – in a way – anonymously. This anonymous woman is suddenly under the spotlights, not to suggest that even anonymous people deserve it, but to emphasis intimacy. An intimacy principle is suggested here, being for us more significant than the miracle itself. The healing of the bleeding woman happens in absolute intimacy… even Jesus doesn’t know what’s going on; and when he notices something, it’s already done, she’s already healed. And until the end the crowd doesn’t know either.
I wish that the woman had remained totally anonymous, not even facing Jesus, not even saying a single word about her. As if a miracle should remain totally unknown to be acknowledged as a miracle!

Let us consider now that when he comes to be closed to the little girl Jesus doesn’t seem to enjoy the presence of the crowd around him. Let us consider also that this second miracle is not a miracle. She’s not dead, she’s sleeping, says Jesus, and he put them all outside before just waking the little young up.
In the presence of the first miracle, no crowd was required; now just waking the young girl up, in the absence of a miracle, no crowd is required either.

And here we are. Let us ask ourselves what’s going on with or without those miracles. I say without miracles because I’m quite sure that while those things were happening with Jesus, some other ill people died, more or less alone, anonymously, as if they were not lucky enough not to meet this living person named Jesus. Or not lucky enough to meet the noisy man I mentioned earlier… what else should I say?
Miracles are the most embarrassing verses in our Bibles. And they require us more than all other verses. Thus, they require our entire faith, when they happen and more than our entire faith when they don’t happen. So what can we do? Intercede to make them happen? Why not? Praise the Lord for all what’s happening? Yes, as much as we can, but it’s sometimes totally impossible.
I would like to conclude with a promise. But I can’t. I actually believe in miracles. But I can’t pray the Lord to make them happen. He is the Lord, he has no lord. I can only pray “Thy will be done…” and hold others hands.  Amen

dimanche 24 juin 2018

Sur le radicalisme (Matthieu 6,24-34)


Matthieu 6
24 «Nul ne peut servir deux maîtres: ou bien il haïra l'un et aimera l'autre, ou bien il s'attachera à l'un et méprisera l'autre. Vous ne pouvez servir Dieu et l'Argent-Mammôn.
25 «Voilà pourquoi je vous dis: Ne vous inquiétez pas pour votre vie de ce que vous mangerez, ni pour votre corps de quoi vous le vêtirez. La vie n'est-elle pas plus que la nourriture, et le corps plus que le vêtement?
26 Regardez les oiseaux du ciel: ils ne sèment ni ne moissonnent, ils n'amassent point dans des greniers; et votre Père céleste les nourrit! Ne valez-vous pas beaucoup plus qu'eux?
27 Et qui d'entre vous peut, par son inquiétude, prolonger tant soit peu son existence?
28 Et du vêtement, pourquoi vous inquiéter? Observez les lis des champs, comme ils croissent: ils ne peinent ni ne filent,
29 et je vous le dis, Salomon lui-même, dans toute sa gloire, n'a jamais été vêtu comme l'un d'eux!
30 Si Dieu habille ainsi l'herbe des champs, qui est là aujourd'hui et qui demain sera jetée au feu, ne fera-t-il pas bien plus pour vous, gens de peu de foi!
31 Ne vous inquiétez donc pas, en disant: ‹Qu'allons-nous manger? qu'allons-nous boire? de quoi allons-nous nous vêtir?›
32 - tout cela, les païens le recherchent sans répit - , il sait bien, votre Père céleste, que vous avez besoin de toutes ces choses.
33 Cherchez d'abord le Règne et la justice de Dieu, et tout cela vous sera donné par surcroît.
34 Ne vous inquiétez donc pas pour le lendemain: le lendemain s'inquiétera de lui-même. À chaque jour suffit sa peine.


Prédication :
Le mot ‘radical’ a aujourd’hui bien mauvaise presse.  En matière de religion, et parfois aussi en matière de politique, il évoque l’arrogance, la violence, et parfois le meurtre. Radical, radicaux, cela nous rappelle les plus abominables événements de ces dernières décennies.
Etre radical, c’est une manière bien particulière de vivre un engagement personnel : un engagement radical est un engagement dont le prix le plus fort est volontairement imputé à autrui. Un engagement radical est un engagement que quelqu’un prend personnellement, mais qui oblige tous les autres. Un engagement radical, ou bien autrui le prend avec moi, ou bien il doit mourir. C’est à cause de l’engagement radical de certains que d’autres sont morts, frappés par les balles à la terrasse de cafés, ou pendant un concert, ou au cours d’une conférence de rédaction de Charlie Hebdo. C’est du fait d’engagements radicaux que de simples passants ont été déchiquetés par une bombe anonyme, anonyme mais conçue, fabriquée et posée là par la main de quelqu’un…
C’est du fait aussi d’un certain radicalisme, un radicalisme ‘iahviste’» que le prophète Elie commandita, et peut-être perpétra lui-même, le meurtre de plusieurs centaines de prêtres de Baal et d’Astarté. C’est du fait d’un radicalisme ‘élohiste’ qu’Abraham faillit mettre à mort son fils Isaac. Dans ces exemples, qui ne sont pas choisis au hasard, quelqu’un aussi paie au prix fort, du prix de sa vie, l’engagement d’un autre… Et le fait qu’on soit l’immense prophète Elie, ou Abraham le tout premier croyant ne change rien au fait qu’une vie est une vie, un mort un mort. Un assassinat, même perpétré sur ‘ordre divin’ par un grand serviteur de Dieu, reste toujours un assassinat.
Vous étendrez aisément ce propos à quelques faits peu glorieux de la Réforme, condamnations et exécutions capitales de ‘radicaux’, que nos Réformateurs préférés, Zwingli et Calvin n’ont pas été capables d’empêcher…
L’adjectif radical évoque donc assez spontanément tout cela, un paysage de violence, une sorte de saleté qui atteint certains noms parmi les plus illustres, et même le nom de Dieu…

Mais l’adjectif ‘radical’, et le nom commun ‘radical’, évoquent aussi autre chose : radical, c’est ce qui a trait à la racine, et à l’enracinement. Qu’y a-t-il à la racine de telle doctrine. Qu’y a-t-il à la racine de telle pratique ? Quelle est cette énergie puissante qui met en branle la machine humaine, et qui lui suggère et lui permet d’accomplir les abominations dont nous venons de parler ? Y a-t-il là une fatalité ? Nous laissons un instant ces questions en suspens.

Après ce que nous venons de dire, il ne nous vient pas spontanément à l’idée que Jésus était un radical, et ses disciples des radicaux. Jésus était un prédicateur errant, ses disciples erraient avec lui. Ils n’avaient pour leur subsistance que ce qu’on voulait bien leur donner. Et comme ils étaient au moins 13, plus sans doute d’autres personnes, des mères, des femmes, et des convertis anonymes, ce groupe de plusieurs dizaines ne pouvait pas demeurer longtemps en un même endroit, dans un même village pour lequel il représentait trop de bouches supplémentaire à nourrir.
Et c’est peut-être pour cette raison que Jésus envoya les Douze séparément, pour que leur prédication fût réellement gratuite pour ceux à qui ils s’adressaient, et pour que leur engagement fût le plus individuel possible, le plus absolu possible. Les ordres que Jésus donne à ses disciples en Matthieu 10 ne sont pas différents du texte que nous avons lu : ni or, ni argent, ni monnaie, ni sac, ni chaussures, ni bâton pour la marche ou pour se défendre…
Jésus donc était un radical, mais certainement pas à la manière que nous avons évoquée plus haut. Qui a payé le prix de l’engagement de Jésus ? Lui-même. Quel prix ? Nous le savons, à la fin, il a payé le prix de sa vie ; mais tout son ministère durant, il n’a rien exigé de personne. Lorsqu’il a appelé ses disciples, lorsqu’il a enseigné et nourri les foules, lorsqu’il a guéri des malades… il n’a rien réclamé pour lui-même. Son engagement a été total et il en a payé seul de prix. C’est à cette forme d’engagement qu’il tâche de former ses disciples.
Et voici donc une deuxième définition de la radicalité : un engagement radical est un engagement absolu dont celui qui le prend veille à en payer personnellement et intégralement le prix. Nous nous demandons, tout comme nous l’avons fait tout à l’heure, quelles sont les racines de cet engagement. Et puisque nous n’allons pas pouvoir dire qu’il y aurait là une fatalité, nous nous demanderons plus simplement s’il y a  une possibilité.

Avec le texte biblique que nous avons lu, il y a en tout cas un dualisme. Dieu, ou bien l’argent ; pour bien établir ce dualisme, Matthieu l’évangéliste personnifie l’ennemi : il l’appelle Mammon. Servir Dieu, ou bien servir Mammon ?
Mammon, peut être vu comme le nom du pouvoir d’acheter, du pouvoir d’aliéner, de posséder… C’est un pouvoir qui coûte à ceux qu’on achète, à ceux dont on dispose, ou à ceux qui se vendent. C’est ce pouvoir qui est proposé à Jésus dans les tentations (Matthieu 4) et qu’il rejette sans aucune ambiguïté.
Certains vouent un véritable culte à Mammon, parfois au point que toute leur vie y est consacrée, au point même que tout le sillage de leur existance est coloré du rouge du sang de leurs victimes, ou, parce que tous les adorateurs de Mammon ne sont pas des terroristes, coloré du gris profond du souci du lendemain… 
            Dieu ou bien Mammon ? Servor Mammon, c’estintriguer, prendre et posséder. Et servir Dieu ? C’est être oiseau du ciel ou lis des champs, c’est être la Rose d’Angelus Silesius : « La rose est sans pourquoi ; elle fleurit parce qu'elle fleurit, N'a pas souci d'elle-même, ne cherche pas si on la voit ». Servir Dieu, c’est être si peu soucieux de soi que chaque jour, chaque heure, vous sourit, et que chaque rencontre est, pour qui vous rencontre, expérience de générosité et de grâce...
            Dieu ou bien Mammon, énonce Jésus, tout l’un, ou bien tout l’autre.

            Nous nous demandons alors – maintenant – chacun pour soi, où nous en sommes, si c’est tout l’un, ou si c’est tout l’autre. Nous nous demandons dans quelle profondeur de notre être nos comportements viennent s’enraciner, si nous sommes au fond oiseaux du ciel, ou épouvantail, si nous sommes au fond lis des champs ou bien glyphosate…
           
Combien il serait triste, combien il serait radical – dans le mauvais sens – cet enseignement de Jésus, s’il en restait à ce ‘ou bien’. Il ouvre une perspective, qui est une perspective réflexive autant que pratique. Cherchez – c’est le travail d’une vie d’apprendre à ne faire que le chercher – d’abord le Règne de Dieu et sa justice. Et le reste vient, donné, toujours comme un cadeau, par surcroît.
Jésus reste en cela un radical – en bonne part – qui s’adresse à des apprentis radicaux – en bonne part eux aussi. Il leur enseigne à puiser profondément en eux-mêmes, très profondément, à de ces profondeurs auxquelles ne subsistent que la vie, que la bonté, que Dieu. Et ses disciples apprennent, un jour après l’autre, une aventure après l’autre. Et ils regardent leur maître, avec étonnement, avec passion, comme nous lisons les saintes Ecritures. Ils grandissent dans la vie, ils grandissent dans la foi. Puissions-nous, nous aussi, nous placer dans le sillage de Jésus, oiseaux du ciel et lis des champs. Amen


dimanche 17 juin 2018

Le Règne de Dieu (Marc 1,14-15 et Marc 4, 26-34)


Marc 1
14 Après que Jean eut été livré, Jésus vint en Galilée. Il proclamait l'Évangile de Dieu et disait:
15 «Le temps est accompli, et le Règne de Dieu s'est approché: convertissez-vous et croyez à l'Évangile.»

Marc 4
26 Il disait: «Il en est du Règne de Dieu comme d'un homme qui jette la semence sur la terre:
27 qu'il dorme ou qu'il soit debout, la nuit et le jour, la semence germe et grandit, il ne sait comment.
28 D'elle-même la terre produit d'abord l'herbe, puis l'épi, enfin du blé plein l'épi.
29 Et dès que le blé est mûr, on y met la faucille, car c'est le temps de la moisson.»

30 Il disait: «À quoi allons-nous comparer le Règne de Dieu, ou dans quelle parabole allons-nous le poser?
31 C'est comme une graine de moutarde: quand on la sème en terre, elle est la plus petite de toutes les semences du monde;
32 mais quand on l'a semée, elle monte et devient plus grande que toutes les plantes potagères, et elle pousse de grandes branches, si bien que les oiseaux du ciel peuvent faire leurs nids à son ombre.»

33 Par de nombreuses paraboles de ce genre, il leur annonçait la Parole, dans la mesure où ils étaient capables de l'entendre.
34 Il ne leur parlait pas sans parabole, mais, en particulier, il expliquait tout à ses disciples.

Prédication

            Le Règne de Dieu s’est approché, proclame Jésus. Qu’est-ce que le Règne de Dieu ? Chaque groupe religieux existant en ce temps-là en Palestine avait sa propre idée du Règne de Dieu. Pour certains, le départ des Romains et la restauration d’une souveraineté autochtone sur Israël, avec un descendant de David sur un trône unifié. Pour d’autre, la conquête du Grand Israël, de la rive orientale du delta du Nil à la rive droite de l’Euphrate, pour d’autres encore le retour au Pays de tous les Juifs dispersés… Mais il y avait aussi ceux qui attendaient une nouvelle création, nouveaux cieux, nouvelle terre où il n’y aurait plus de sang, ni de sueur, ni de larmes, d’autres une paix universelle sous domination fraternelle – mais domination tout de même – d’Israël, pour d’autres ce pouvait être la purification de tout le peuple et la recentralisation au Temple de tous les cultes rendus à IHVH. Pour d’autre, une espèce de transport mystique obtenu à force de prière et de privations. Mais pour d’autres, c’était plutôt un jugement qui aurait condamné tout ce qui était impur et n’aurait laissé survivre qu’un petit groupe de champions de la pureté.
Cela nous fait une petite dizaine de Règnes de Dieu, tous différents entre eux, soutenus chacun par un groupe, soutenus et parfois déjà plus ou moins mis en œuvre chacun par son groupe.
Des Règnes de Dieu donc différents, des espérances différentes, et pas forcément compatibles les unes avec les autres ; dans le meilleur des cas, chaque groupe prône sa propre vision de la chose en ignorant les autres ; dans le pire des cas, il y a des affrontements qui ne sont pas que des affrontements verbaux.      
Or à tout cela, Jésus ajoute quelque chose, en quatre points : «(1) Le temps est accompli, et (2) le Règne de Dieu s'est approché : (3) convertissez-vous et (4) croyez à l'Évangile.» 
Avant d’explorer ces quatre points, une mise en garde : il y a un piège. Ce piège serait de considérer que ces énoncés sont l’énoncé d’une espérance de plus, de la vraie espérance vraie du vrai Règne de Dieu, le nôtre. Piège… tâchons de ne pas tomber dans ce piège. Que dit Jésus ?



  1. Le temps est accompli (temps)
Il y a une différence considérable entre les Règnes de Dieu par lesquels nous avons commencé et celui que Jésus annonce. Toutes ces Règnes doivent advenir un jour ; ils sont inscrits dans une histoire dont la durée n’est pas mesurable, mais qui est tout de même une durée : un jour, tout changera… Et même si des hommes mettent tout en œuvre, la force des armes ou celle de la piété, pour que cela advienne, c’est tout de même un accomplissement  pour un jour qui doit venir, ou encore, un jour viendra…
Rien de cela dans le Règne de Dieu que Jésus annonce. Jésus dit le temps est accompli. Jésus ne parle pas du temps linéaire de l’histoire, mais du temps instantané des grandes décisions et des grands engagements. En substance, Jésus dit : c’est maintenant. Jésus ne parle pas d’une éventualité pour le futur, mais d’une possibilité tout de suite.

  1. Le Règne de Dieu s’est approché (espace)
Cela semble d’abord signifier que le Règne de Dieu était lointain et qu’il est désormais plus proche. Ça n’est pas faux, mais seulement très insuffisant. La langue grecque nous indique que le Règne de Dieu ne s’est pas approché de sorte qu’il soit plus proche maintenant que tout à l’heure et qu’il sera encore plus proche demain… Ce que signifie Jésus, c’est que le Règne de Dieu est proche, tout proche, tellement proche qu’il ne sera jamais encore plus proche.
En somme, si la première phrase qui dit le temps est accompli signifie que c’est maintenant, la seconde phrase dit que c’est ici.
Nous allons même nous montrer audacieux en énonçant que puisque le texte est porteur du message qui dit que le Règne de Dieu est maintenant et  ici, cela vaut non seulement pour les premiers auditeurs de la prédication chrétienne, mais aussi pour les auditeurs que nous sommes aujourd’hui.

  1. Convertissez-vous (disposition d’esprit)
Cela n’a plus grand-chose à voir avec ce que les gens attendaient. Nous avons fait tout à l’heure la liste de ce qui pouvait être attendu. Le monde que ces gens espéraient était pour un jour lointain, et supposait d’abord une disqualification du monde, puis sa transformation matérielle. Contrairement à tout cela, Jésus dit maintenant et ici. Pour ses contemporains – et pour nous aussi – il est extrêmement difficile de comprendre que le Règne de Dieu soit dans ce monde, celui exactement dans lequel nous vivons, et il n’y en a pas d’autre. Pour que cela soit compris, il faut un changement profond de compréhension, cela précisément que suggère la parole de Jésus, mot à mot, changez votre faculté de penser, il faut ce que Karl Barth appelait une illumination de la raison, cela qu’on appelle une conversion.
Mais si Karl Barth pour cela parle d’illumination de la raison, c’est qu’en bon calviniste, il ne peut guère penser que l’être humain soit capable par ses propres forces de changer sa faculté de penser. Or, cette capacité, dans l’évangile de Marc, Jésus la suppose. Alors l’impératif d’une conversion est adressé par Jésus à ses auditeurs, par l’évangile de Marc à ses lecteurs.
Puisque donc le Règne de Dieu n’a jamais été aussi proche, plus imminent, et ne le sera jamais d’avantage, c’est à l’être humain de faire le reste du chemin, maintenant et ici. Ce chemin, dans la bouche de Jésus, n’est pas un long chemin de changement personnel, mais plutôt une prise de décision soudaine et irréversible. Convertissez-vous ! Oui, mais à quoi ?

  1. Croyez à l’Evangile, ou, plus littéralement, croyez dans l’Evangile (action)
Prenons bien garde ici, car nous devons imaginer un règne de Dieu totalement différent de ceux que nous avons évoqués au début de notre méditation. Croyez à l’Evangile, c’est le moyen et le but de la conversion que l’être humain doit accomplir, et c’est l’ici et maintenant du Règne de Dieu. Qu’est-ce à dire ? Il nous faut revenir très attentivement à nos paraboles. Marc, le plus ancien des évangiles, ne donne que deux paraboles du Règne de Dieu. Le Règne de Dieu, il est comme quoi ?


Première parabole, une affaire de semence, un projet de moisson. Mais le Règne de Dieu, ce n’est pas l’accomplissement final de ce projet. Ce que nous avons lu, c’est que le Règne de Dieu est comme l’homme, l’être humain, l’être humain non pas du commencement à la fin du projet, mais l’être humain tout court, dans son ici et maintenant tout le temps d’une saison qui annonce une autre saison, qui sera meilleure, ou pire, il ne le sait pas, il ne sait ni comment ni pourquoi. Alors, qu’est-ce que croire à l’Evangile – ou, plus littéralement, croire dans l’Evangile ? Demeurer à chaque instant dans la disposition de ce semeur qui sème comme on apporte une offrande à la terre, comme on apporte une offrande au Culte, dans la beauté du geste, dans la gratuité du geste, et dans l’action de grâce et la confiante ignorance de la suite.
Deuxième parabole, une affaire de semence, encore. Mais le Règne de Dieu n’est pas l’accomplissement final du processus de croissance de ce végétal. Le Règne de Dieu, c’est la graine. La graine inconsciente d’elle-même, incapable même d’un projet, qui meurt en tant que graine et renait arbre, sans comment, sans pourquoi, et une fois encore sans projet, mue seulement par une considérable puissance de vie que vous pourrez bien, si vous le voulez, appeler grâce. Alors qu’est-ce que croire dans l’Evangile ? Demeurer obstinément en vie, pleinement dans l’activité, et en même temps dans une sorte d’infiniment confiante passivité, sans savoir ce qu’on deviendra.


Qu’en est-il donc finalement du Règne de Dieu pour Jésus ? Vivre, pleinement, vivre sans rien posséder et surtout sans un but qu’on s’assigne – autre que la plénitude. Cette vie en plénitude relève d’une décision de chaque instant, en somme, d’un apprentissage, ou, comme Jésus le dit, d’une conversion.
Jésus – et donc Marc – croit que c’est possible, que les forces d’un être humain lui permettent de mener cette vie, la vie du Règne de Dieu. Et nous pouvons dire oui… oui pour Jésus qui va et vient sans jamais rien posséder, oui pour ses disciples, oui pour eux qui ont choisi une vie de dépouillement presque absolu. A leur manière, Jésus et ses disciples sont des radicaux…
Mais pour nous qui sommes des sédentaires, qui possédons nos maisons, nos voitures, nos meubles, le Règne de Dieu est-il à notre portée ?
Oui, je le crois. Ce regard intérieur légèrement distant porté sur nous-mêmes, et ce regard extérieur plein d’étonnement, de reconnaissance et de joie peuvent être les nôtres. Vivons ainsi, que le Règne de Dieu soit la réalité de nos vies. Amen